Zelfregulatie in de preventie van (cyber)pesten: de kijk van kinderen

2 dec 2014 /

Door de steile opgang van sociale en mobiele media is cyberpesten uitgegroeid tot een wijdverspreid fenomeen. Cyberpesten bracht niet alleen een verbreding, maar ook een verdieping of intensivering van de pestproblematiek met zich mee: meer kinderen en jongeren raken betrokken bij pestgedrag en voor slachtoffers is er vaak geen ontsnappen meer aan, omdat ze zowel offline als online worden gepest, dag in dag uit.
De voorbije decennia werden er heel wat anti-pestprogramma’s ontwikkeld. De unieke bijdrage van het onderzoek beschreven in dit rapport bestaat erin dat onderzocht werd hoe leerkrachten kinderen kunnen faciliteren om meer ‘zelfsturend’ te worden in het aanpakken en voorkomen van pestgedrag en welke ‘tools’ daarvoor nodig zijn. De focus lag daarbij op zowel cyberpesten als op klassieke vormen van pesten, alsook op hun onderlinge relatie. Zelfregulatie bij kinderen vergroten wil niet zeggen dat de rol van de leerkracht moet worden geminimaliseerd. In tegendeel, de leerkracht krijgt een centrale en faciliterende rol toebedeeld en gidst de kinderen doorheen het proces. Belangrijk is dat de klas wordt benaderd als een sociale groep en dat het onderzoek zich richt op de exclusie van slachtoffers ten gevolge van pesten.

Als eerste stap in dit onderzoek werd een reeks voorwaarden geïdentificeerd waaraan een bottom-up georiënteerde aanpak van (cyber)pesten zou moeten voldoen. Daarvoor werden verschillende experten en leerkrachten uitgenodigd voor een reeks ‘mapping’-sessies om ideeën en de relaties tussen ideeën op een visuele manier in kaart te brengen. Het gebruik van de techniek kadert binnen de ‘participatory design’-aanpak die aan de basis ligt van dit onderzoek. Kenmerkend voor participatory design is dat gebruikers en andere belanghebbenden participeren in het ontwerpproces om te garanderen dat de resulterende ontwerpen afgestemd zijn op de manier waarom gebruikers het product daadwerkelijk zullen gebruiken in hun eigen leven.
Een eerdere fase van dit onderzoek resulteerde in een ‘roadmap’ in welke de bevindingen van experten en leerkrachten worden gekoppeld aan een bestaand theoretisch model, de preventiepiramide, om het preventiebeleid op school te ondersteunen en te versterken. Volgens dit model moet preventie worden gestructureerd op verschillende niveaus, gaande van de brede, maatschappelijke context tot preventie maatregelen voor heel specifieke problemen. De roadmap werd gebruikt als leidraad doorheen het verdere onderzoek waarin ook kinderen actief betrokken werden met behulp van generatieve technieken zoals ‘co-design’.
Tijdens de mapping-sessies met experten en leerkrachten werd herhaaldelijk benadrukt dat een bottom-up georiënteerde aanpak van (cyber)pesten enkel zinvol is als een algemene preventiestrategie. Dat wil zeggen dat men het zelfregulerend gedrag van kinderen moet ontwikkelen en trainen wanneer er zich géén acute problemen voordoen in de klas. Met andere woorden, een veilige en sterke klasgroep is een basisvoorwaarde voor het introduceren van een bottom-up-georiënteerde aanpak van pestgedrag. Om die reden werd de oorspronkelijke vraagstelling van dit onderzoek aangepast. De focus van het onderzoek verschoof van het aanpakken van pestgedrag naar het stimuleren van een sociaal klasklimaat door in te zetten op pro-sociaal gedrag bij kinderen, zowel offline als online. Dit past binnen de algemene preventiestrategie die de experten en leerkrachten naar voor schoven als startpunt voor een bottom-up georiënteerde aanpak.

In een reeks ‘co-design’-sessies met kinderen, waarin ze zelf oplossingen bedachten en ontwierpen, werd deze aangepaste onderzoeksvraag vertaald naar een ‘design challenge’ op maat van de kinderen. Op basis van een fictief verhaal van een klas met een slechte sfeer dachten kinderen van 9 en 10 jaar oud in twee Vlaamse basisscholen na over hoe zij de klasatmosfeer zouden verbeteren en wat ze daar voor nodig zouden hebben. De kinderen gingen vervolgens aan de slag in kleine groepjes, zogenaamde ‘co-design teams’, en maakten een prototype (bijv. een robot of een hypnosemachine) dat kinderen zouden kunnen gebruiken in de klas om de sfeer te verbeteren en de sociale cohesie van de groep te versterken. Hoewel tijdens de co-design-sessies niet werd gesproken over pestgedrag, was het opvallend dat de meeste teams een gelaagde aanpak voorstelden waarin zowel aandacht is voor algemene preventie (bijv. een DJ robot die een klasfeestje organiseert) als voor interventie (bijv. een rollenspel dat een slachtoffer kan gebruiken om de dader tot inkeer te brengen).
In de analyse van de resultaten van de co-design sessies met kinderen stonden zowel de materiële aspecten van het prototype (bijv. welke uitstraling heeft het, wat valt op, etc.) als de verbale uitleg van wat het ontwerp doet en met welk doel centraal. Met behulp van ‘multi-modality’, een analysemethode afkomstig uit ‘social semiotics’ werden de resultaten op een functioneel niveau geanalyseerd, maar ook op een hoger, abstracter niveau om het achterliggende discours van de kinderen en hun persoonlijke ‘waarden’ in kaart te brengen. Vervolgens werden deze resultaten teruggekoppeld aan de inzichten van experten en leerkrachten wat resulteerde in een reeks aanbevelingen voor een bottom-up georiënteerde, preventieve aanpak van pesten. Op basis van die aanbevelingen kunnen digitale en tastbare ‘tools’ ontwikkeld worden, die kinderen in staat stellen het klasklimaat en de sociale cohesie van de klasgroep te versterken. Op die manier vormen ze een belangrijk wapen in de preventie van pestgedrag in en rond de klas, zowel off- als online.

Tot slot geven we nog een beknopt overzicht van de algemene aanbevelingen voor een bottom-up-georiënteerde en preventieve aanpak van pesten, gebaseerd op de ideeën en waarden van kinderen:

  1. Voorzie coöperatieve spelvormen die kinderen in verschillende contexten kunnen aanwenden. Voor preventiedoelstellingen is ‘spel’ een handig middel om verveling tegen te gaan, maar het kan ook als middel dienen om de interesse van kinderen te wekken tijdens de les en het kan als interventie-tool worden aangewend om de sociale dynamieken van de groep te heroriënteren en de dader te doen inzien wat het effect van zijn daden is op de gevoelens van het slachtoffer.
  2. Voorzie positieve afleiding door middel van humor. Voor kinderen is het belangrijk dat bij aanvang van de dag de juiste sfeer wordt gecreëerd. Distractie door humor kan ook dienen om spanningen tussen kinderen ongedaan te maken en verdere escalatie te voorkomen. De toolkit moet inspelen op deze noden van kinderen.
  3. Voorzie tools om slachtoffers te empoweren, zodat ze een vuist kunnen maken tegen hun daders. Opmerkelijk is dat kinderen veelal een ‘instant oplossing’ naar voren schuiven; ze willen zo snel mogelijk een nieuwe start kunnen nemen en, in een ideale situatie, vrienden worden met de dader. Er is geen behoefte om de details van wat er precies gebeurd is uit te klaren, maar anderzijds stellen de kinderen ‘dialoog’ evenmin naar voor als mogelijke oplossing. Aan deze lacune moet tegemoet gekomen worden. De toolkit moet dialoog tussen dader en slachtoffer faciliteren met de nodige aandacht voor de negatieve gevoelens die het pestgedrag teweeg brengen en hoe deze te remediëren.
  4. Combineer ‘top-down’ met ‘bottom-up’ regulatie en voorzie daarbij een faciliterende rol voor de leerkracht. Kinderen willen zelf initiatieven kunnen nemen om het sociale klasklimaat te verbeteren en de sociale cohesie van de groep te versterken, maar de leerkracht moet steeds een oogje in het zeil houden en voorkomen dat de vrijheid van het ene kind de onvrijheid van het andere wordt. Dus zowel leerkrachten als kinderen hebben ‘tools’ nodigen die helpen om grenzen te stellen waarbinnen kinderen zich ‘vrij’ kunnen bewegen.
  5. Leg de nadruk op positieve bekrachtiging; beklemtoon wat kinderen goed doen veeleer dan wat ze fout doen. Dit kwam tot uiting in de ‘straf en beloningssystemen’ die sommige co-design-teams ontwikkelden en waarbij de klemtoon steevast lag op het belonen van gewenst gedrag dat de klassfeer ten goede komt. Dit gedachtengoed sluit nauw aan bij de ‘no-blame’ approach die ook experten en leerkrachten naar voren schoven. De toolkit moet kinderen aldus stimuleren tot pro-sociaal gedrag ten aanzien van elkaar, bijv. door het introduceren van spel- en beloningscomponenten.
  6. Voorzie meer supervisie, zowel tijdens de les als tijdens de speeltijd. Kinderen uitten de behoefte aan een (publiek) monitoringsysteem en aan een vroege detectie van problemen door de leerkracht of een neutrale bemiddelaar. Zo ontwikkelde één team een tovenaar die boven de speelplaats vliegt en alles nauwlettend observeert en op een humoristische manier ingrijpt alvorens de problemen escaleren. Tools ter ondersteuning van meer supervisie moeten in de eerste plaats dus dienen ter preventie van problemen.
  7. Maak kinderen bewust van de rol van de toeschouwers tijdens pest- of vijandig gedrag. Uit de prototypes die kinderen maakten bleek dat ze onvoldoende inschatten hoe ze als toeschouwers en als klasgroep kunnen ingrijpen om pestgedrag een halt toe te roepen. Enkel voor preventiedoelstellingen wordt de hele klasgroep in ogenschouw genomen (bijv. het organiseren van een klasfeestje door een DJ robot). De toolkit moet het bewustzijn hieromtrent vergroten bij kinderen en hen aanzetten tot positieve actie.
  8. Zet in op de emotionele geletterdheid van kinderen. Dit is een basisvoorwaarde om kinderen meer zelfsturend te maken in het voorkomen van pestgedrag aldus de experten en leerkrachten, maar kinderen schatten het belang van de juiste sociale vaardigheden en het ontwikkelen van gevoelens van empathie ten opzichte van anderen onvoldoende in. In plaats van een sociaal proces gericht op dialoog tussen dader en slachtoffer stellen ze veelal een ‘instant oplossing’ voor. De tools moeten de emotionele geletterdheid van kinderen versterken, zodat herstelpraktijken tussen dader en slachtoffer gemakkelijker hun ingang vinden.

Het volledige rapport vind je hier (Engels): Deliverable D.1.1.5
De poster gepresenteerd tijdens het slotevent “Gebruikers aan de macht?” vind je hier: Poster slotevent