Naar een bottom-up aanpak van (cyber)pesten

26 jul 2013 /

Door de steile opgang van sociale en mobiele media is cyberpesten uitgegroeid tot een wijdverspreid fenomeen. Cyberpesten bracht niet alleen een verbreding, maar ook een verdieping of intensivering van de pestproblematiek met zich mee: meer kinderen en jongeren geraken betrokken bij pestgedrag en voor slachtoffers is er vaak geen ontsnappen meer aan, omdat ze zowel offline als online worden gepest, dag in dag uit.

De voorbije decennia werden er heel wat anti-pestprogramma’s ontwikkeld. De unieke bijdrage van dit onderzoek bestaat erin dat we een toolkit ontwikkelen waarmee leerkrachten lager onderwijs kinderen kunnen faciliteren om zelfsturender en zelfregulerender te worden in het aanpakken en voorkomen van pestgedrag. We focussen daarbij op zowel cyberpesten als op klassieke vormen van pesten, alsook op hun onderlinge relatie. Belangrijk is dat we de klas als een sociale groep benaderen en dat we ons richten op de exclusie van slachtoffers ten gevolge van pesten. Hoewel het asociale gebruik van sociale media aan de basis ligt van cyberpesten, bekijken we sociale media in dit onderzoek als een middel om pro-sociaal gedrag in de klasgroep te stimuleren en aldus pestgedrag te reduceren.

Kinderen zelfsturender en zelfregulerender maken in het aanpakken en voorkomen van pestgedrag, wil niet zeggen dat de rol van de leerkracht wordt geminimaliseerd. In tegendeel, de leerkracht krijgt een centrale en faciliterende rol toebedeeld en gidst de kinderen doorheen het proces aan de hand van de toolkit.

Participatory design

Schermafbeelding 2013-07-28 om 10.38.36Als eerste stap in het ontwikkelingsproces van de toolkit identificeerden we een reeks voorwaarden waaraan een bottom-up georiënteerde aanpak van (cyber)pesten moet voldoen. Daarvoor nodigden we verschillende experten en leerkrachten uit voor een reeks mapping sessies waarbij we gebruik maakten van de MAP-it tool (www.map-it.be). Mapping is een techniek om ideeën en de relaties tussen ideeën op een visuele manier in kaart te brengen. Het gebruik van de techniek kadert binnen de Participatory Design aanpak die aan de basis ligt van dit onderzoek. Kenmerkend voor Participatory Design is dat gebruikers en andere belanghebbenden participeren in het ontwerpproces om te garanderen dat de resulterende ontwerpen afgestemd zijn op de manier waarom gebruikers het product daadwerkelijk zullen gebruiken in hun eigen leven (Schuler, 1993).

De voorwaarden die resulteerden uit de MAP-it sessies en die gepresenteerd worden in dit rapport fungeren als een metaforische ‘roadmap’, die de reiziger een overzicht biedt van mogelijke wegen, gevaren en opportuniteiten, zonder daarbij één weg of één oplossing naar voor te schuiven. De roadmap zal dienen al een leidraad doorheen het ontwikkelingsproces van de toolkit. In wat volgt geven we een beknopte samenvatting van de resultaten.

Preventiepiramide

Tijdens de MAP-it sessies werd herhaaldelijk benadrukt dat je een bottom-up georiënteerde aanpak van (cyber)pesten enkel kan implementeren in een veilige klasgroep zonder actuele pestproblemen. De preventiepiramide kwam daarbij herhaaldelijk ter sprake. De preventiepiramide is een theoretisch model om het preventiebeleid op school te ondersteunen en te versterken. Volgens dit model moet preventie worden gestructureerd op verschillende niveaus, gaande van de brede, maatschappelijke context tot preventie maatregelen voor heel specifieke problemen.

Het eerst niveau, de brede maatschappelijke context, omvat alle buitenschoolse activiteiten van het kind. De invloed van de school op deze buitenschoolse activiteiten is uiteraard beperkt, maar ze beïnvloeden wel in sterke mate het denkpatroon en het gedrag van het kind. De participanten beschouwden het sociale schoolklimaat, het tweede niveau van de preventiepiramide, als het vertrekpunt voor een bottom-up georiënteerde aanpak van (cyber)pesten. Op dit niveau ligt de klemtoon op het creëren van een algemene positieve atmosfeer. Dit houdt onder andere in dat er niet enkel gefocust wordt op de risico’s van sociale media en het internet, maar dat er een genuanceerd beeld wordt verschaft waarin ook aandacht is voor opportuniteiten.

Algemene of basispreventie, het volgende niveau, heeft te maken met het vergroten van de emotionele geletterdheid van kinderen. Dit houdt onder andere in het stimuleren van empathie voor anderen, het ontwikkelen van sociale vaardigheden en het vergroten van de weerbaarheid van kinderen. Pestgedrag, zowel offline als online, komt enkel expliciet aan bod in de bovenste niveaus van de preventiepiramide: specifieke preventie en interventie. Voorbeelden van specifieke preventie zijn kinderen aanleren hun Facebook instellingen adequater te hanteren ter bescherming van hun privacy en rollenspellen om kinderen te leren hoe ze moeten omgaan met pestgedrag, zowel als slachtoffer en toeschouwer. Interventie, het bovenste niveau, betreft het aanpakken van concrete (pest)problemen.

Aangezien de onderste niveaus bijdragen aan de kwaliteit van de andere niveaus in de preventiepiramide en omdat pestgedrag in de eerste plaats zo veel mogelijk moet worden voorkomen, is de huidige focus op (cyber)pesten mogelijks te nauw. Het is, aldus de participanten, aanbevelingswaardig om een breedspectrum toolkit te ontwikkelen die de verschillende niveaus van de preventiepiramide in rekening brengt. Meer nog, de toolkit moet worden geïntegreerd in een ‘whole school approach’ met aandacht voor het individu, de klas, het schoolteam en de communicatie met de betrokken partijen waaronder de ouders.

Verscheidene participanten stuurden aan op een sociale enquête als onderdeel van de toolkit om groepsdynamieken in kaart te brengen en na te gaan hoe elk van de kinderen zich voelt in de groep. Op die manier wordt het gemakkelijker om spanningen bloot te leggen en te voorkomen dat ze uitgroeien tot acute (pest)problemen. Ook hulpmiddelen om wederzijds vertrouwen te stimuleren tussen de leerkracht en de kinderen zijn onontbeerlijk. Wederzijds vertrouwen maakt het een leerkracht gemakkelijker om inzicht te verwerven in wat er zich afspeelt onder de oppervlakte van de groep, zowel offline als online.

Pesten is in de eerste plaats een groepsproces waarin omstaanders een belangrijk effect hebben op de persistentie van het pestgedrag. De toolkit moet kinderen daarom faciliteren om afspraken te maken ter bevordering van de klassfeer (basispreventie), alsook afspraken over hoe zij slachtoffers kunnen helpen wanneer er zich een geval van pesten voordoet (interventie). Peer sensibilisering werd ook regelmatig genoemd. Enkele, eerder populaire kinderen, nemen een voortrekkersrol in het sensibiliseren van andere kinderen over veilig internet gebruik en wat zij, als omstaanders, kunnen doen om pestgedrag te stoppen.

Open en aanpasbare toolkit

Belangrijk, een breedspectrum toolkit is niet hetzelfde als een one-size-fits-all benadering. De toolkit moet open en aanpasbaar zijn en moet ontwikkeld worden voor structureel en lange termijn gebruik. Meer nog, de toolkit moet worden gestoeld op een ‘no blame’ filosofie om diepgaande en blijvende verandering teweeg te brengen. Kortom, in sommige gevallen is een ommekeer in de gehele schoolcultuur nodig om een bottom-up georiënteerde aanpak van (cyber)pesten mogelijk te maken.

Aangezien kinderen belangrijke stakeholders zijn in het ontwerpproces van de toolkit, zullen we ze actief betrekken in de volgende fase van het onderzoek met behulp van specifieke Participatory Design methoden. Samen met kinderen van het vierde leerjaar, maar ook met hun leerkrachten en zorgcoördinatoren, zullen we de toolkit verder ontwikkelen op basis van de roadmap gepresenteerd in dit rapport.

Het onderzoeksrapport van Maarten Van Mechelen, Karin Slegers, Dirk De Grooff (CUO, iMinds, KU Leuven) kan je hier downloaden: EMSOC_MaartenVanMechelen_deliverable_2013_lowRes

voor meer info contacteer Maarten.VanMechelen@soc.kuleuven.be

powered by Fotopedia